Het Is Koers! / Publicaties / Wielrennen

Waarom Froome als zwaarste van de favorieten in de bergen in het voordeel is

Het asfalt gaat de komende dagen eindelijk serieus omhoog lopen. En dus zullen de klimmers serieus aan de bak moeten. Het gevecht tussen de vedergewichten van het peloton begint. Gewicht is voor renners ontzettend belangrijk, als het niet al een obsessie is. Michael Rasmussen was een extreem geval daarin. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn schoenen een maat te klein kocht, zodat ze lichter waren. De huidige generatie renners gaat wellicht niet zo ver, maar zij proberen ook zo ‘scherp’ mogelijk op de fiets te zitten. De zorgen om het gewicht van de renners richten zich met name om Chris Froome. Hij is gek genoeg de zwaarste van de vier favorieten, maar dat komt vooral omdat hij de langste van het stel is.

Renner Lengte (cm) Gewicht (kg)* BMI
Froome 186 69-71 19,9-20,5
Nibali 181 65 19,8
Contador 176 61-62 19,7-20,0
Quintana 167 58-59 20,8-21,6

*= De gewichten van de renners zijn gebaseerd op verschillende schattingen. Omdat ploegen geen recente data van hun renners geven, is uitgegaan van zoveel mogelijk dezelfde bronnen.

Emeritus hoogleraar Fysica Charles Dauwe, die soms bij onze zuiderburen in Vive le Vélo te zien is, houdt van wielrennen. Zijn expertise en zijn hobby leiden tot een hoop interessante artikelen over de natuurkundige kant van het wielrennen, die te vinden zijn op zijn site www.fietsica.be. Hij leert ons de interessante les dat je als zwaardere renner in de bergen in het voordeel bent. Dit geldt tot op zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden (ik wil niet op mijn geweten hebben dat alle fietsende bierpensen opeens een excuus hebben om nog een extra portie borrelnootjes te pakken).

Gewicht alleen is namelijk niet het belangrijkste. Het draait allemaal om het relatieve vermogen. Dat is het vermogen (watt) dat je kan trappen in verhouding tot je gewicht (kilogram). Als je gewicht weet te verliezen zonder vermogen te verliezen, stijgt je relatieve vermogen. En dus ga je harder de berg op. Om het klimvermogen uit te drukken heeft de welbekende Dr. Ferrari de Vélocita Assensionale Media (VAM) bedacht, oftewel het aantal hoogtemeters per uur dat iemand klimt.

Het punt bij klimmen is dat een wielrenner ook nog op een fiets zit (net als bij andere vormen van wielrennen overigens). Die fiets wordt echter niet meegerekend in het berekenen van het klimvermogen van de renner. Dit is waar het oneerlijk wordt voor lichtere renners, en Froome dus een voordeel heeft. De fietsen zijn namelijk gebonden aan een minimumgewicht van 6,8 kilogram. Het gewicht van de fiets is voor bijvoorbeeld Quintana procentueel een grotere toevoeging aan zijn eigen gewicht, dan dat het voor Froome is.

VAM

Door het vastgestelde minimumgewicht van de fiets neemt het relatieve vermogen van Quintana meer af dan dat van Froome. Dat geeft Quintana (en de anderen) een lagere VAM, ervan uitgaande dat de twee renners een gelijk relatief vermogen hebben als je de fiets niet meerekent. En hoe steiler de helling, hoe groter het verschil.

Het zou daarom eerlijker zijn als het minimumgewicht van de fiets een percentage is van het lichaamsgewicht, in plaats van een nominaal vastgesteld minimum. Dat levert echter veel praktische problemen op, omdat het gewicht van een renner kan fluctueren gedurende de Tour en de controle vanwege de verschillende gewichten een stuk complexer wordt. Het conservatisme van de ASO kennende zullen de regels niet snel veranderen. Daarnaast heeft het wielrennen genoeg andere uitdagingen, die op dit moment urgenter zijn.

Voorlopig zullen de lichtere renners moeten proberen om een nog groter relatief vermogen te trappen om het verlies te compenseren. Of misschien toch een keer een extra portie borrelnootjes pakken.